Dit artikel is verschenen in De Grauwe Gans, november 2001
Winterverblijven voor vleermuizen
Vleermuizen zijn gewervelde, warmbloedige dieren die kunnen vliegen. Dus zijn het vogels, dacht men vroeger. Maar nee, als je ze beter bekijkt is toch wel goed te merken dat dit niet klopt: ze hebben een vacht van haren en baren ze geen eieren maar jongen, die bovendien worden gezoogd. Typisch zoogdieren dus. Maar dan wel een beetje rare zoogdieren. Want niet alleen kunnen ze vliegen, ze doen dat bovendien in het donker. Daarnaast leven ze van insecten, tenminste de soorten die in Nederland voorkomen. Om die te kunnen vangen hebben ze sonar ontwikkeld, een echolocatiesysteem vergelijkbaar met radar, maar dan met geluidsgolven die ze zelf produceren.
Dieren die van insecten leven hebben het moeilijk in de winter. De meeste insectenetende vogels vertrekken naar warme landen, waar ze hun dieet gewoon kunnen voortzetten. Ook al kunnen vleermuizen goed vliegen, echt op trek naar warme landen is voor hen toch wat te ver. Zij hebben een andere manier ontwikkeld om te winter door te komen: ze gaan in winterslaap. Ze zetten hun lichaamsfuncties op een laag pitje, nemen de temperatuur van de omgeving aan en proberen op die manier de winter op hun vetreserves door te komen. Dat halen ze (meestal) net, als ze een goede verblijfplaats voor de winter hebben weten te vinden.
Een goede verblijfplaats moet aan een flink aantal eisen voldoen. Zo moet het er zeer vochtig zijn (tegen uitdroging), stabiel en koel (temperatuur tussen 0 en 8 graden Celsius), wegkruipmogelijkheden hebben, donker zijn, niet stinken en mag er geen verstoring plaatsvinden. Voor de meeste soorten wordt hieraan in de regel alleen voldaan bij ondergrondse ruimten, zoals kelders, forten en de mergelgroeven in Zuid-Limburg.
In Flevoland heb je als vleermuis dan een probleem, want hier zijn geen kelders. Het Nieuwe Land is aangelegd in het tijdperk van de koelkast, het aanleggen van kelders was dus niet nodig en is ook niet gedaan. Forten waren inmiddels ook al weer uit de tijd en mergel valt hier niet te winnen. Vleermuizen van de soorten die in kelders overwinteren komen niettemin wel degelijk ’s zomers in Flevoland voor. In de winter waren ze echter aangewezen op verblijfplaatsen op het Oude Land, waarvoor dus flinke afstanden moesten worden afgelegd.
Om hieraan tegemoet te komen zijn daarom op een paar plaatsen speciale ondergrondse ruimtes aangelegd voor overwinterende vleermuizen. Rijkswaterstaat bouwde een gang van 36 meter in het talud van een viaduct van de A27 (1996), Staatsbosbeheer bouwde een keldertje van overgebleven toiletgebouwtjes bij Zeewolde (1996), Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden bouwde een keldertje bij de Waiboerhoeve even buiten Lelystad (1999) en projectontwikkelaar Tijs Blom bouwde een verblijfplaats in de peilers van de toegangsbrug tot het toekomstige Kasteel Almere (2000).
Tot nu toe zijn hierin nog maar weinig vleermuizen aangetroffen. Alleen in het keldertje bij Zeewolde werden vanaf de winter van 1998/99 de eerste overwinterende (grootoor)vleermuizen gevonden. Was het er aanvankelijk maar één, in januari 2001 bleken dat er al 5 te zijn. De gang onder de A27 is tot dusverre nog onbewoond gebleven, hier is het waarschijnlijk nog wat te warm en te droog. Er zullen binnenkort aanpassingen plaatsvinden die dit zullen verhelpen. De andere kelders zijn nog te kort beschikbaar om al vleermuizen te kunnen herbergen.
Wel overwinteren in alle kelders vlinders, vooral roesjes (een nachtvlinder) en dagpauwogen.
Het duurt in de regel een hele tijd voordat vleermuizen zo’n verblijfplaats in gebruik nemen. Het keldertje bij Zeewolde was er eigenlijk onverwacht snel bij. Vleermuizen zijn namelijk traditionele dieren, die niet gauw een andere verblijfplaats kiezen dan ze tot dan toe gewend waren. Zo is er in het Gooi bij Laren een voormalige waterkelder, die op een gegeven moment in onbruik raakte. Deze is toen ingericht voor vleermuizen en was daar ook erg geschikt voor. Toch bleef deze de eerste 13 jaar leeg! Vervolgens zaten er 10 vleermuizen in, het jaar daarop 25, vervolgens 35 en afgelopen winter 48. Dus het kan even duren, maar toch uiteindelijk een succes worden.
Hopelijk krijgen de vleermuizen in Flevoland het binnenkort ook door, maken ze zich het leven een stuk makkelijker en dat van de muggen moeilijker.
Rombout de Wijs